1.
Grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (kouder dan 10 °C in de zomer).
2.
De afstand van een plaats tot de evenaar.
3.
Vasthouden van zonnewarmte door de dampkring.
4.
De invalshoek van waaruit je een gebied of gebeurtenis bekijkt.
5.
Klimaat met weinig of geen neerslag.
6.
Gebied waar altijd sneeuw ligt.
7.
Verzamelbekken van sneeuw, hoog in de bergen.
8.
Het onder invloed van zonlicht omzetten van water en koolzuurgas in suikers en zuurstof door planten en bomen.
9.
Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift.
10.
Zeestroom die warm water van de Golf van Mexico naar de westkust van Europa brengt.
11.
Gebied met een hoogteligging tussen 200 m en 500 m.
12.
Gebied met bergen die hoger zijn dan 1.500 m.
13.
Koud en nat klimaat. De temperatuur in de zomer is gemiddeld lager dan 10 °C.
14.
Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt. Heet ook plateau.
15.
Koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen.
16.
Het kunstmatig nathouden van landbouwgronden.
17.
Het gemiddelde weer in een bepaald gebied over dertig of veertig jaar.
18.
Verschijnsel dat de gebieden aan beide kanten van een berg andere neerslag- en temperatuurkenmerken hebben.
19.
Verandering in het klimaat (bijvoorbeeld hogere temperatuur).
20.
Alle uitwisselingen van koolstofdioxide (CO2) op aarde.
21.
(CO2) Gas in de dampkring dat voor het leven op aarde van groot belang is. Het is een broeikasgas.
22.
Gebied met een hoogteligging lager dan 200 m.
23.
Gebied zonder hoogteverschillen dat lager ligt dan 500 m.
24.
Het houden van dieren of het verbouwen van gewassen voor menselijk gebruik.
25.
Dik ijspakket dat permanent op het land ligt.
26.
Klimaat met in de winter een gemiddelde dagtemperatuur van tussen de –3 en –10 °C.
27.
De kant van de berg die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag.
28.
De windkant van een gebergte met veel neerslag.
29.
Zone in de gematigde luchtstreek waar loofbomen, zoals eiken en beuken, groeien.
30.
Temperatuurzone op aarde: tropen, gematigde zone en poolstreken.
31.
Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn.
32.
Periode in de zomer in de poolstreken waarin de zon niet ondergaat.
33.
Puin (zand, gruis, stenen, rotsblokken) dat door een gletsjer wordt vervoerd.
34.
Water dat in vaste of vloeibare vorm uit de dampkring op aarde neerslaat.
35.
Altijd bevroren ondergrond.
36.
De breedtecirkel van 66½° N.B. en 66½° Z.B.
37.
Gekleurde lichtverschijnselen aan de hemel, veroorzaakt door botsing van zonnedeeltjes die de ruimte in worden geslingerd, met het magnetische veld van de aarde. Heet ook noorderlicht.
38.
Periode in de winter in de poolstreken waarin de zon niet opkomt.
39.
Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B.
40.
De lijzijde van een berg, waar de dalende en warme lucht weinig of geen neerslag brengt.
41.
Hoogteverschillen in het landschap.
42.
Gebied dat aan drie kanten is omringd door de zee.
43.
Droog gebied waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes.
44.
Neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte.
45.
Deel van de gematigde zone dat het dichtst bij de tropen ligt (sub = onder). Het is er minder warm dan in de tropen, maar warmer dan in de rest van de gematigde zone.
46.
Zone in de gematigde luchtstreek waar naaldbomen groeien. In de winter is het er gemiddeld kouder dan –3 °C. Heet ook naaldboomgordel.
47.
Boomloos gebied in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struikjes.
48.
Koud klimaat met ’s zomers een gemiddelde dagtemperatuur die lager is dan 10 °C.
49.
Warme luchtstreek rond de evenaar tussen 23½° N.B. en 23½° Z.B.
50.
Uitbreiding van een woestijn.
51.
Klimaat met het hele jaar neerslag, ’s zomers koel en ’s winters niet heel koud (gemiddelde dagtemperatuur nooit lager dan –3 °C).
52.
Stroming van zeewater die ontstaat doordat de wind langdurig uit een richting waait.